|
|
||
|
De in de omgeving van Maastricht levende Nederlandse kunstenaar Kees Barten (1953) die aan de Akademie voor Beeldende Vorming in Tilburg studeerde schept in weken, deels maandenlange processen op zichzelf betrokken schilderijen. Zij danken hun uitstraling aan een bijzonder patina dat door het aanbrengen van vaak meer dan honderd dunne verflagen ontstaat. De gebruikte verf is zover verdunt dat de individuele lagen zo goed als geen spoor op het beeldoppervlak achterlaten. Pas door het grote aantal ontstaan schilderijen die zich door een bijzondere fascinerende 'kleurdiepte' onderscheiden. Bekijkt men de vaak monochrome schilderijen dan ziet men complexiteit en diepte van een schilderkunst de iets bijzonders inhoudt. De duisterheid en diepte van het oppervlak verleidt de beschouwer steeds weer opnieuw. Soms vindt de beschouwer een aanknopingspunt in verticale lijnen of gesuggereerde kruisvormen. Dit zijn geen verwijzingen naar geabstraheerde vormelementen maar dienen slechts als structurering van het oppervlak. Hoe kan echter de fascinatie beschreven worden die van de verschillende werken uitgaat? Die ligt vooral besloten in hun ontstaansgeschiedenis. Op het eerste gezicht zien de werken eruit als monochrome schilderijen die slechts uit één donkere, snel aangebrachte, verflaag bestaan. Niets is minder waar. Aan het maken van het schilderij gaat een langdurig proces vooraf. Ieder door Kees Barten gemaakt schilderij bestaat uit 100 tot 150 verschillende verflagen: "Hierdoor bouwt het schilderij zichzelf op. Door vergissingen en fouten wordt het individueel, organisch, ontstaat het idee van een huid." Achter deze ongewone werkwijze
gaat een opvatting schuil die voortkomt uit de omgeving waar Kees Barten
sinds halverwege de jaren '80 leeft. Dit deel van Zuid-Limburg kenmerkt
zich door een grote openheid en leegte van het landschap. Op plaatsen
kun je kilometers ver kijken. Deze leegte leidde uiteindelijk tot de radicaliteit
van zijn werk. Vroegere figuratie werd door abstractie verdrongen en uiteindelijk
restte slechts de ruimtelijkheid van de kleur. De doeken werden - bepaald
door de kleuren van de omgeving - minder kleurig en toenemend leeg. Meer
als de helft van het jaar is het Limburgse landschap niet bont en kleurig
maar onder een grijze hemel leeg en troosteloos. Dan gaan "door de
weidsheid van het landschap de kleuren in elkaar over, alsof er geen onderscheid
meer is tussen hemel en aarde." Maar Kees Barten wil meer dan zijn gevoel voor zijn omgeving op het doek overbrengen. Ieder schilderij begint met een vermoeden dat in het schilderij een tastbare vorm krijgt. De schilderijen zijn voor hem het zichtbare resultaat van een proces dat voor het schilderen nog niet verwoordbaar was. Het schilderen maakt duidelijk wat voorheen nog niet als concreet idee bestond. Kees Barten begint daarom een schilderij niet vanuit een idee maar ontwikkelde een methode om schilderijen te laten ontstaan. "Ik mengde een druppel kleurstof in kleurloze binder. Iedere dag bracht ik een laag aan. Als ik dit lang genoeg zou volhouden moest het helemaal zwart worden. Het liep allemaal anders. Zoals later bleek gebruikte ik een binder van slechte kwaliteit. Bij het aanbrengen van iedere nieuwe laag loste iedere keer iets van de vorige laag op. Hiermee vertraagde het oorspronkelijk bedoelde proces. Ook het verslijten van de kwast beïnvloedde het proces. Er gebeurde van alles. Het gevolg was dat er iets ontstond wat ik tevoren niet kon bepalen. Het was een samen komen tussen mijn bijdrage en iets dat buiten mijzelf bestond. Een ontmoeting tussen mijn subjectiviteit en de objectiviteit van het materiaal. Op een manier stapte ik bijna uit mijzelf. Precies zover dat ik met mijn hand het vlies aanraakte tussen mij en een andere wereld." Andreas Beumers (galeriehouder/verzamelaar)
|
||